tussen figuratie en abstractie, 2010

tekst door Jozefien Van Beek

Sinds het ontstaan van de fotografie in de negentiende eeuw is de schilderkunst vrijgesteld van de taak om de realiteit na te bootsen. Bovendien kunnen schilders iets dat fotografen niet kunnen: dingen in hun beeld stoppen die er gevoelsmatig wel zijn, maar die niet zomaar in een objectieve weergave te vatten zijn. 

Hilde Overbergh toont haar eigen subjectieve universum. Ze doet de werkelijkheid verglijden door te balanceren op de grens tussen figuratie en abstractie, tussen subjectieve en objectieve realiteit. Meestal vertrekt ze van het fotografische of realistische beeld, maar dat zet ze niet rechtstreeks op doek. Ze maakt een collage van verschillende beelden, zoomt in op een detail van een foto of gebruikt onrealistische kleuren. Haar werken zijn het resultaat van een deconstructie van de fysieke werkelijkheid, van het combineren van verschillende werkelijkheden tot een volkomen nieuwe, abstractere interpretatie. 

Schilderen ziet Overbergh als een constructie. Voor haar zit er een voelbare link tussen al haar doeken omdat ze werkt volgens het principe actie-reactie: het ene werk vloeit voort uit het andere. Ze voelt de drang om veel te maken, veel thema’s aan te raken, veel te experimenteren. Soms schildert ze erg impulsief, dan weer gaat ze zeer ingehouden en gedetailleerd te werk. Gelaagdheid speelt daarbij een belangrijke rol. Ze kan pas een laag op het doek zetten als er een vorige laag is, door die deels weg te schilderen. Dat weg schilderen maakt deel uit van het proces. Ze probeert op een haast chirurgische manier bepaalde kleur- en diepte-elementen uit haar werk te verwijderen. Maar tegelijkertijd versterkt ze de aanwezigheid van de weggelaten objecten net door deze interventies. Tegenwoordig wil ze snel stoppen, een doek loslaten voor het helemaal af is en zo met minder meer zeggen. Less is more. Door een stuk informatie te deleten zorgt ze ervoor dat het onderwerp niet volledig herkenbaar is. 

De schilderijen van Overbergh stralen een bevreemdende sfeer uit. De verstilde beelden zijn soms vaag, dan weer haarscherp. De nieuwste schilderijen die ze maakte, zijn uitermate kleurrijk, maar toch wordt het resultaat nooit schreeuwerig omdat ze de kleuren altijd mengt, met elkaar of met wit, wat voor een gedempt resultaat zorgt. Op een groot doek “Vantage point” staat een platenspeler in grijstinten. Dat beeld heeft ze gedeconstrueerd en opgedeeld in verschillende kleinere en abstractere werken. Zo zoomt ze bijvoorbeeld in op de naald en geeft die weer in felle, onrealistische kleuren. In die minimalistische doeken geeft ze minder informatie, maar toch nog net genoeg om het werk leesbaar te houden, zeker in combinatie met het grote doek. 

Haar ouder werk krijgt door de getemperde kleuren een meer afstandelijk karakter. Toch zijn die doeken thematisch vaak intiem en huiselijk. Zo maakte Overbergh onder de titel ‘De hermeneutiek van het alledaagse’ een reeks werken die ontstond uit haar eigen leefwereld. Communicatie en het gebrek daaraan was de rode draad, tafels een motief, omdat tafels dé plek zijn waar mensen samenkomen om te praten. In lichte kleuren schildert ze vanuit verschillende perspectieven tafels waaraan een situatie heeft plaatsgevonden. Menselijke 

figuren zijn zelden te bespeuren in Overbergh’s werk, maar hun aanwezigheid is meestal wel voelbaar. Op ‘Breakfast traces’ (2007) zien we bijvoorbeeld een nog half gedekte tafel in bovenaanzicht. De oranje stoelen staan er nonchalant rond. Niemand deed de moeite om ze netjes onder de tafel te schuiven. Daardoor is de menselijke aanwezigheid nog te voelen. 

‘Master bedroom’ (2007) gaat verder in het abstraheren. In een aantal lichtblauwe, witte, grijze en zwarte vlakken schetst Overbergh een slaapkamer. Ook ‘Stereo-type’ (2008) zou je kunnen zien als een abstract werk. Maar als je beter kijkt, zie je in de lichte grijstinten een stereoinstallatie in bovenaanzicht. Toch zou het even goed een groot gebouw kunnen zijn in een verlaten straat. 

Architecturale ruimtes fascineren Overbergh mateloos. Ze sluipen altijd opnieuw op een of andere manier in haar werk. Voorwerpen zoals een platenspeler, een stereoinstallatie of een faxmachine worden ontdaan van hun details. Door ze vanuit een bepaalde invalshoek te schilderen, geeft Overbergh ze een architecturaal karakter. 

Ook inhoudelijk werkt Overbergh met ruimtes. Zo heeft ze een reeks opgebouwd rond de tegenstelling binnen/buiten. Dat thema boeit haar omdat de grens tussen beiden flinterdun is geworden. Door sociale netwerksites als Facebook infiltreer je zonder het te beseffen in iemands privéleven. De grens tussen de privé- en de publieke ruimte vervaagt. In haar werk vertaalt Overbergh die dualiteit soms letterlijk zoals in een collage schilderij “On both sides” waarop zowel een binnen- en een buitenruimte te zien zijn. De twee zijn versmolten in één beeld. De overgang tussen binnen en buiten is onduidelijk, het is één grote ruimte geworden. Je ziet het verschil wel, maar het wordt moeilijk om de grens precies te situeren. Op het schilderij ‘I-scream house’ is dan weer een buitenruimte te zien die tegelijk ook iets intiems uitstraalt door het motief van het behangpapier. Maar dat behangpapier vertoont sporen van vocht en verkleuring en krijgt daardoor ook iets akeligs en onbehaaglijk. Het werk is donker en bevreemdend. Het lijkt wel een poppenhuis uit een nachtmerrie. Ook ‘Fenced backyard I’ en ‘Fenced backyard II’ borduren voort op de tegenstelling tussen binnen en buiten. De kleurige werken tonen halfopen huizen met een omheinde tuin. De werken vertellen iets over de reflex die mensen hebben om hun eigendom af te schermen. Ieder wil zijn eigen ruimte en zijn eigen comfort vanuit het idee: ‘not in my backyard’. 

Overbergh onderzoekt alle mogelijke facetten van het architecturale. Of het nu de huiselijkheid van de binnenkant, de afstandelijkheid van de buitenkant of de abstractie daarvan is. Ze draait cirkels in haar eigen werk, keert terug naar thema’s om die verder uit te puren, maar komt telkens weer uit bij het ruimtelijke.