RUIMTE ALS CANVAS, 2016

tekst door Anne-Marie Poels

“Misschien”, zegt ze, terwijl we naar haar totaalinstallatie in Woot op de Antwerpse wijk Luchtbal staan te kijken, “had ik beeldhouwer geweest moeten zijn.” Want Hilde Overbergh (°1964,Leuven) mag dan schilderen, haar werk probeert de laatste jaren meer en meer buiten de grenzen van het doek te breken. Een sprekend voorbeeld daarvan is de roze geschilderde fijne lijn uit houten staafjes en blokjes, die zich vanaf één van de wanden over de grond een weg de ruimte in baant.

“Voor mij is dat een perspectieflijn die normaal gezien in het schilderij zou zitten en nu uit het schilderij is gevallen en op de grond ligt”, zegt Overbergh. Op die grond installeerde ze witte vloerbekleding om zo wand en vloer in elkaar te laten overlopen en van de ruimte één groot canvas te maken waarop ze met verschillende elementen een compositie creëert. Dat maken van composities met lijnen, vlakken en architecturale elementen deed ze eerder vooral binnen het kader van haar schilderijen. Nu zijn die elementen 3D geworden en werkt Overbergh met de volledige ruimte die ze als drager gebruikt voor haar handelingen.

De referenties aan de schilderkunst zijn daarbij legio, en dat niet alleen in de schilderkunstige werkjes die Overbergh binnen de installatie heeft opgenomen: gaande van heel letterlijke, bijna figuratieve afbeeldingen van rood-wit afzetlint dat ze op platte, houten paneeltjes schilderde tot een werkje op doek waaruit een soort vliegtuigraam-achtig vlak is weggesneden zodat ook de muur erachter mee van belang wordt.

FROTTAGE

Ze speelt daarnaast met tal van parameters uit de schilderkunst zoals met de glans van het plastieken laagje dat ze op de vloerbedekking liet zitten, tegenover de matte toon van de muren. Of met de gelaagdheid die normaal met verf op doek tot stand komt en hier onder andere te zien is in een boven de grond zwevende spaanplaat met daarop tekeningen in frottage techniek van OSB-platen. Ze speelt met binnen/buiten en licht/schaduw door de papieren rolgordijntjes deels voor de ramen deels op te trekken en gebruikt ook kaders zonder doek: die hangt ze bijvoorbeeld aan latten die ze in de ruimte installeert of laat verdwijnen achter één van de gordijntjes. En ze test verschillende soorten doek waarop soms zelfs de druppels huidenlijm die ze als gesso gebruikt een rol beginnen spelen.

Experiment en proces staan voorop: voortdurend lijkt Overbergh te onderzoeken wat mogelijk is met elementen als doek, kader, verf. Maar ze keert ook terug naar haar roots. Want hoewel ze als schilder afstudeerde, begon ze haar artistieke opleiding binnen de grafiek - en daar lijkt ze nu weer een klein beetje naar terug te keren, “bijna als in een cirkelbeweging“. Van twee naast elkaar gehangen werkjes in oranjeroze tinten is er één geschilderd op een gezeefdrukte print, de ander juist gezeefdrukt op een vooraf gemaakte schildering. En elders hangt een dun, voile-achtig doek waar op in gedempte, roze-bordeauxrode kleuren een afbeelding gezeefdrukt is. Vaag zijn lijnen zichtbaar, architecturale elementen als ramen, hoeken, een poort.

Overberg draait zich richting het raam en wijst op een gebouw tegenover Woot: de lijnen op het doek zijn die van de poort van het gebouw dat ze fotografeerden en zeefdrukte. Zo speelt ze ook met binnen en buiten en past haar werk bovendien binnen de filosofie van Woot om te proberen de onmiddellijke omgeving zoveel mogelijk mee te trekken in het verhaal.